Jan Smulders Triplex maakt gebruik van cookies

Cookies zijn kleine bestanden die met pagina’s van deze website worden meegestuurd en door uw browser op de harde schrijf van uw computer worden opgeslagen.
Er zijn verschillende soorten cookies die gebruikt worden voor verschillende doeleinden. Voor het plaatsen van cookies is soms wel en soms geen toestemming nodig.
Als u niet akkoord gaat met onze cookie statement dan plaatsen wij alleen de functionele cookies. Als u meer wilt weten over de cookies die wij gebruiken, de gegevens die daarmee verzameld worden en over uw rechten op dit punt, lees dan ons cookie statement en privacy policy om meer te leren over onze cookies.

Veelgestelde vragen

Veel gestelde vragen

  1. Juiste montage van betonbekistingsplaten

    Praktijktip 1

    • Als dwars gefineerde platen parallel aan de ondersteuning worden geplaatst, gaat de plaat verder doorbuigen omdat de sterkte verminderd wordt met 2 fineerlagen. Een berkenplaat dikte van 18 mm en 13 lagen heeft bij een foutieve ondersteuning dus een sterkte van 15 mm( 11 lagen), omdat dan vanaf de 2de fineerlaag wordt gerekend. Vooral bij opvulpanelen kan dit tot een te grote aftekening leiden in het beton.

    Praktijktip 2

    • Hoe meer vocht een plaat opneemt, hoe meer hij doorbuigt. Dus biedt niet zomaar een goedkoper alternatief aan want dit kan grote gevolgschade met zich meebrengen.

    Praktijktip 3

    • Betonbekistingplaten, voorzien van een fenolfilm zijn helaas sterk UV-gevoelig en daarom niet geschikt als afgewerkte gevelplaat.

    Praktijktip 4

    • Bij niet weggewerkte schroeven dient men de schroefkop net boven het oppervlak uit te laten steken. Zwellingen in de plaat na vochtopname worden hierdoor opgevangen.

    Praktijktip 5

    • Na het ontkisten moeten de platen met water gereinigd worden en cementresten dienen met een houten spatel verwijderd te worden.

    Praktijktip 6

    • Voor iedere stort dienen de platen dun te worden voorzien van ontkistingsolie.
  2. Juiste montage van houtachtige constructie vloerplaten

    Praktijktip 1

    Breng de platen in halfsteensverband op de balken aan. De richting van de plaat met de grootste sterkte-eigenschappen moet haaks op de balklaag komen. De grootste sterkte–eigenschappen van Triplex zijn in de nerfrichting van het dekfineer. Bij OSB is dat in de strooirichting van de spanen. Let erop dat de dwarsnaden altijd door een balk ondersteund worden. Indien u platen verwerkt zonder tand- en groefverbinding moeten ook de langsnaden van de plaat ondersteund worden. Zo voorkomt u wisselen en doorbuigen van de platen.

    Praktijktip 2

    Onder invloed van veranderde relatieve luchtvochtigheid kunnen houtachtige plaatmaterialen in de lengte of breedte krimpen of zwellen. Druk de platen daarom niet te stijf aan. Houd langs de randen, bijvoorbeeld onder de plint, 10 mm ruimte aan, zodat de plaat kan werken.

    Praktijktip 3

    Breng bij vloeren langer dan 10 meter een dilatatievoeg aan. De breedte van de dilatatievoeg moet gelijk zijn aan de lengte van de vloer x 1,5 mm. L- of Z-vormige ruimten en moet u in rechthoekige ruimten indelen, om zo diagonale spanningen te voorkomen. Het nadeel van deze naden is dat er zo geluidslekken ontstaan. Breng daarom in deze naden een dichtingsband aan en indien nodig daaroverheen een plint.

    Praktijktip 4

    Een probleem van houten vloeren zijn loopgeluiden. U beperkt overdracht van geluid enigszins door tussen de balklaag en de platen een laag vilt aan te brengen en de platen vrij van de muur te houden. Ook zijn zogenaamde ‘zwevende’ constructies mogelijk bij onderling verlijmde platen. Hiervoor worden doorgaans kleine plaatafmetingen (244 x 61 cm TG4) gebruikt op een ondergrond van folies en/of isolatiemateriaal. Breng de folies goed overlappend aan: minimaal 30 cm is het beste.

    Praktijktip 5

    U kunt de platen bevestigen met nagels, schroeven of nieten. De spijker– of schroefafstand bedraagt 150 mm op de plaatuiteinden en 300 mm op de tussenliggende liggers. Kraakgeluiden die als gevolg van schuifspanningen kunnen ontstaan voorkomt u door het schroeven en onderling verlijmen van de vloerplaten.

  3. Juiste verwerking van houtachtige plaatmaterialen aan de gevel.

    Praktijktip 1

    Voor dat men de platen gaat verwerken dient men ze te controleren op gebreken als delaminatie, slechte dekking van de grondverf etc. Dus niet eerst alle platen gaan verzagen en dan kenbaar maken dat ze niet goed zijn. Als men de zaag erin zet zonder voorafgaande controle worden de platen niet retour genomen. De verlijming kan men controleren door met twee man de plaat aan de uiteinden vast te pakken en op en neer te bewegen zoals men een deken uit klopt. Als de plaat kraakt kan het zijn dat de verlijming niet goed is.

    Praktijktip 2

    Het kan voorkomen dat na het zagen van platen met een primer, paint of folielaag, de platen krom trekken, de zgn. banaanvorm. Vooral in het voor –en najaar, de meest vochtige periodes van het jaar. De meest capillaire kant van een plaat zijn de randen, waardoor snel vocht in de plaat opgenomen wordt, hierdoor ontstaat spanning in de plaat die vrijkomt tijdens het zagen. In extreme gevallen loopt de zaag vast. Als men boeiboorden van 30 cm breed moet zagen is het aan te raden om deze op bijvoorbeeld 32 cm te zagen. Daarna terug zagen naar 30 cm zodat de plaat mooi recht is.

    Praktijktip 3

    Als houtachtige platen in de gevel wordt verwerkt is het aan te raden om de platen 200 mm boven het maaiveld vrij te houden. Dus vanaf de grond 2 of 3 lagen metselwerk, dit om de platen vrij te houden van opspattend water tijdens een regenbui. Is metselwerk om een of andere reden niet mogelijk dan kan men ook volstaan met een strook cement gebonden houtspaanplaat(rotten niet in aanraking met grond en water) welke men met een verflaag afwerkt.

    Praktijktip 4

    Voorafgaand aan de montage, dient geveltriplex aan de achterzijde te worden beschermd. Dit kan een aangebrachte kunstharsfilm zijn of een primerlaag. De beschermende laag helpt schade door condensvorming achter de plaat te voorkomen.

    Praktijktip 5

    Spijkers, schroeven en nieten zijn de meest voorkomende bevestigingsmiddelen. Ook gevellijmen kunnen worden toegepast, mits de lijmfabrikant adviseert. RVS wordt aanbevolen ter voorkoming van roestplekken. Verzonken schroeven bieden een hoge trekvastheid, maar vragen om veel nabewerking, als de gesoevereinde boorgaten worden afgedicht. Na verloop van tijd wordt dit toch weer zichtbaar. Het verdient aanbeveling om nieten of spijkers met verzonken kop ca. 2 mm. dieper aan te brengen en vervolgens af te dichten. Eenvoudig en een goed resultaat! Het voorkomt tevens vuilaanslag door condens vocht ter plaatse van de bevestiging.

  4. Hoe kan ik een vlak plafond verkrijgen?

    Het allerbelangrijkste is voldoende rachels aanbrengen met een minimale afmeting van 18 x 45 mm. Let op dat er onder alle naden een rachel aanwezig is, bij voorkeur een doorgaande rachel onder de langsnaden en een extra stuk lat onder de kopse naden. De afstanden tussen de bevestigingsmiddelen onderling en de afstanden tot de rand verschillen per soort materiaal. Raadpleeg hiervoor de richtlijnen van de fabrikant. Ter plaatse van de naden de bevestigingsmiddelen recht tegen over elkaar aanbrengen. Gebruik corrosiewerende bevestigingsmiddelen om roesten tegen te gaan (bij toepassing van verf). Het is niet aan te bevelen de aansluiting van platen op de omringende muren strak uit te voeren. In verband met de werking in zowel de plafondplaten als de rest van de constructie kan scheurvorming ontstaan. Om dit te voorkomen is het gebruikelijk om een zichtbare voeg tussen plafond en wand te maken.

  5. Na montage van plaatmateriaal voor een binnenwand worden oneffenheden geconstateerd?

    Dit kan ontstaan door de afmetingen en de h.o.h. afstanden van het stijl en regelwerk in relatie tot de hoogte van de wand, de dikte van de plaat en de wijze van aanbrengen, horizontaal of verticaal. Bij een verticale beplating komt de lengte van de plaat in het algemeen overeen met de wandhoogte. De h.o.h. afstand tussen de stijlen bedraagt bij een maximale hoogte van 250 cm ca. 400 mm. De afmetingen van de stijlen bedragen 38 x 89 mm.

    Bij een horizontale beplating worden de platen liggend toegepast. Dit wil zeggen dat de richting van de plaat met de grootste sterkte-eigenschappen (bij triplex: de draadrichting van het dekfineer;bij OSB : de strooirichting van de chips) loodrecht op de stijlen staat. In dit geval kan men eventueel een grotere maximale h.o.h. van de stijlen aannemen. Om later oneffenheden in de wand te voorkomen is een stijl of een regel achter alle naden van belang. Houtachtige plaatmaterialen kunnen door veranderde relatieve vochtigheid in de lengte en breedte krimpen of zwellen. Het is gewenst tussen de platen een kleine naad aan te houden. Om esthetische redenen is het verstandig de platen aan de bovenzijde tegen het plafond aan te brengen. De naad die aan de onderzijde van de wand ontstaat afwerken met een plint.

  6. Bij het zagen van de plaat breken spaanders of splinters uit?

    Het bewerken van plaatmateriaal moet met goed en scherp gereedschap gebeuren. Gebruik voor het zagen een fijngetande handzaag, met minimaal 7 tanden per inch (25 mm) of een fijngetand hardmetalen cirkelzaagblad. Laat bij het gebruik van een handcirkelzaag de tanden 10 tot 15 mm door het plaatoppervlak steken. Let er op dat bij het zagen de plaat goed ondersteund is. Bij een slechte ondersteuning gaat de plaat door het zagen trillen waardoor de kans groot is dat er spaanders of splinters uitbreken. Houdt er rekening mee dat bij het zagen altijd splinters uit de plaat breken. Bij een handzaag zal dat aan de onderkant plaats vinden en bij een cirkelzaag aan de bovenkant. Iets langs de merkstreep afzagen zodat de zaagsnede nog netjes bijgeschaafd kan worden. Voor het afwerken de zaagkanten goed glad schuren en voorzien van een randsealer, indien de platen worden geschilderd.

  7. We willen de platen gaan verwerken en nu blijken ze krom te gaan staan?

    Past men platen toe in een ruimte met een ander klimaat (bijv. nieuwbouw woning met een relatieve hoge luchtvochtigheid) dan in de ruimte waar ze waren opgeslagen, dan moeten ze gedurende enige tijd in deze ruimte worden opgeslagen om te acclimatiseren.

  8. De platen gaan krom staan, hoe kan dat?

    Het kan doordat de platen niet goed opgeslagen zijn. Opslag dient plaats te vinden op een droge en vlakke ondergrond in een ruimte waar weer en wind geen invloed hebben op het plaatmateriaal. Indien dit niet mogelijk is dan de platen opslaan op een pallet en afdekken met een zeil, waarbij ventilatie onder het zeil noodzakelijk is. Als men de platen op balkjes legt dan een h.o.h. afstand van 600 mm aanhouden en de platen niet hoger dan 1,00 m opstapelen. Stapelt men meerdere pakketten op elkaar dan moeten de balkjes recht boven elkaar gestapeld worden. Doet men dit niet dan loopt men kans dat de platen gaan doorbuigen en krom gaan staan, waardoor ze moeilijker te verwerken zijn.

  9. Waar dient een betontriplex met een zware coating voor?

    De montagemethoden, in combinatie met de plaatafmetingen en de oppervlakte eisen van het beton laten een andere werkwijze zien, dan in het algemeen voor bouwtriplex geldt. Aangezien de bekisting onderhevig is aan hoge druk en hoge vochtpercentages, dient de materiaalsterkte en stabiliteit voldoende te zijn. Zeker naarmate het aantal inzetten, de “repetitiefactor”, dus ook het vochtpercentage, hoger wordt.

    De repetitiefactor van de plaat wordt in het algemeen bepaald door het gewicht van de coating, de fineersoorten die zijn gebruikt en de verlijming. Er zijn fineersoorten die door hun specifieke eigenschappen een hoger gewicht aan coating nodig hebben om hetzelfde resultaat te verkrijgen .

    In deze gevallen wordt met een zware coating voorkomen dat de houtnerf aftekent in het betonoppervlak.

  10. Na het storten blijkt dat het betonoppervlak golft of doorbuigt?

    Voor de sterktecijfers, waarmee de ondersteuningsafstand wordt bepaald in combinatie met de te verwachten betondruk (Wanden: gemiddeld 55 kN/m2) is het raadzaam de documentatie te raadplegen van de fabrikant. (LET OP AANGEGEVEN VOCHTGEHALTE)

    De gevoeligheid voor vocht is bepalend voor (plaatselijke) zwelling van de plaat en voor de verlaging van de E-modulus. Hoe meer vocht een plaat opneemt, hoe meer hij doorbuigt.Er worden ook doorbuigingstabellen verstrekt voor de verschillende producten bij een bepaalde druk, overspanning en vochtigheidsgraad. Zeer handig voor de voorschrijver/verwerker

    (DEK)FINEERRICHTING.

    De hoogste sterkte wordt verkregen als de ondersteuning haaks op de nerfrichting van het dekfineer is geplaatst. De richting van de dekfineren bepaalt de richting waarin de maatvoering wordt opgegeven. Zo is 2500 x 1250 mm langs gefineerd en 1250 x 2500 mm dwars gefineerd.

    Let op!! Als dwars gefineerde platen parallel aan de ondersteuning worden geplaatst, gaat de plaat verder doorbuigen omdat de sterkte verminderd wordt met 2 fineerlagen.

    Een berkenplaat dikte van 18 mm en 13 lagen heeft bij een foutieve ondersteuning dus een sterkte van 15 mm,( 11 lagen) omdat dan vanaf de 2de fineerlaag wordt gerekend. Vooral bij opvulpanelen kan dit tot een te grote aftekening leiden in het beton.

  11. Mijn klant vraagt naar betontriplex voor een zichtwerk kwaliteit B1?

    De oppervlakte-eisen voor “Zichtbeton”zijn bepaald volgens NEN 6722. De interpretatie van deze norm is beschreven in AANBEVELING 100, die door de CUR in Gouda wordt uitgegeven. Hierin staan de toleranties vermeld, die acceptabel zijn voor de afwijkingen in het oppervlak. Hiervoor gelden 3 verschillende klassen:

    • Klasse A – normaal, is de standaardklasse waarbij het repareren van kleine oneffenheden is toegelaten.
    • Klasse B – hogere eisen, voor bijvoorbeeld betonoppervlakken die in het zicht komen en waar (standaard)eisen, die in de projectspecificatie zijn gegeven worden gesteld aan het betonoppervlak. Hier wordt in de CUR aanbeveling 100 ‘Schoon Beton’ onderscheid gemaakt in:
      • Klasse B1, voor in het werk gestort beton.
      • Klasse B2 geldt voor prefab beton, waarvoor de eisen het hoogst zijn.
    • Klasse C – voor ‘vuil’ betonwerk, zonder esthetische eisen.

    Vooral bij een repetitiefactor >5 komt triplex meer en meer in beeld. De reden hiervan is, dat de stabiliteit meer gewaarborgd is door de hygrische eigenschappen en de kruiselingse opbouw. Bij een nog hogere gebruiksfrequentie >10, is ook het aantal fineerlagen bepalend voor de doorbuiging. Des te meer lagen van een sterke houtsoort, des te stijver de constructie, hetgeen de doorbuiging bij hoge druk beperkt.

    In elke productomschrijving van betontriplex op onze website staat vermeld voor welke klasse deze geschikt is.

  12. Waar moet ik zijn algemeenheid op letten bij de verwerking van betontriplex?

    ALGEME WENKEN

    • Plaatranden goed gesloten afwerken. Gebruik hiervoor Acrylaatverf of een door de fabrikant aanbevolen middel. Acrylaatverf is voldoende voor de gebruiksduur van betontriplex.
    • Let op eventuele fineerfouten, overlaps of gaps..
    • Verschillende coatings op plaatvlakken? Kies de juiste betonzijde.
    • Nerfrichting dekfineer // overspanning. Passtukken doorgaande fineerrichting!

     

    • Bepaal de ondersteuningsafstand ( raadpleeg productinfo – Let op genoemd vochtgehalte)
    • Plaataansluiting. > 5 aangesloten platen: dilatatievoeg 5 mm.(opvullen met compriband/tape)
    • Bevestigingen: Slotbouten niet te vast! Schroeven (voorboren) iets boven plaatvlak. Verzonken schroeven min. 2 mm. dieper en afdichten met staalplamuur of epoxy.

    Hoge eisen: liefst via achterzijde bevestigen! (Bij Systeembekisting: Plaatdikte min.21mm)

  13. Dient ment bij de verwerking van betontriplex ook rekening te houden met stuiknaden?

    In tegenstelling tot de montage in permanente bouwconstructies, waarbij ruimte wordt aanbevolen tussen de panelen, is dit bij betonbekisting niet van toepassing. Er zouden betonlekken ontstaan, die het betonoppervlak ernstig zouden aantasten. De platen dienen dus (niet stijf) aangesloten te worden bevestigd, terwijl na ca. 5 platen een dilatatievoeg van ca. 5 mm. is aan te bevelen, bestaande uit bijv. compriband/tape. De spanningen, die als gevolg van vochtopname zullen ontstaan, worden opgevangen in de constructie, door de stijfheid van de plaat, de diktezwelling en de bevestigingspunten, die variëren van 200 tot 600 mm. h.o.h., afhankelijk van het bekistingsysteem en de drukspanning.

  14. Kan ik betontriplex als gevelplaat toepassen?

    Betonbekistingplaten, voorzien van een fenolfilm zijn helaas sterk UV-gevoelig en daarom niet geschikt als afgewerkte gevelplaat.

  15. Het betontriplex is gemonteerd en ter plaatse van de bevestiging gaat de plaat opbollen?

    Deze tijdelijke diktezwelling is ca.5% bij een vochttoename van 10-27%. Lichte houtsoorten verdelen het opgenomen capillaire vocht snel. Bij zwaardere houtsoorten(> 600kg/m3)duurt het wat langer. Deze diktezwelling zie je vaak aan de randen of bij de bevestigingen. Dit wordt ook wel het ‘schrikeffect’ genoemd. Anders dan bij geperste vezelplaten herstelt triplex zich weer. Dit wordt verklaard door de natuurlijke houtstructuur van de plaat. Ter plaatse van de bevestiging kun je dit voorkomen door de schroefkop 1 of 2 mm uit te laten steken.

  16. Onze klant heeft betontriplex ontvangen en de filmlaag gaat aan de randen rimpelen?

    De plaat is dan in een keer bloot gesteld aan vochtige omstandigheden, we noemen dit ook wel het zgn. ‘schrikeffect’. Wanneer de plaat eenmaal geacclimatiseerd is zal dit weer verdwijnen. Men kan dit voorkomen door het betontriplex in een open loods op te slaan. Hierdoor worden de platen al geacclimatiseerd voor dat ze naar de bouw gaan.

  17. Hoe kan ik loopgeluiden (geluidsoverdracht) voorkomen?

    Om de overdracht van geluid enigszins te beperken, is het mogelijk tussen de balklaag en de platen een laag vilt of een ander dempend materiaal aan te brengen en de platen vrij van de muur te houden. Het nadeel van een naad is dat er een geluidslek ontstaat. Het is daarom aan te raden in deze naden een dichtingsband aan te brengen en vervolgens, indien mogelijk, een plint over aan te brengen.

  18. Wanneer er over de gemonteerde vloerplaten gelopen wordt gaan ze kraken, hoe kan ik dit voorkomen?

    Schroefverbindingen in combinatie met onderling verlijmen van de platen helpen kraakgeluiden voorkomen die mogelijk als gevolg van schuifspanningen ontstaan. De spijker – of schroefafstand bedraagt 150 mm op de plaatuiteinden en 300 mm op de tussenliggende liggers. Ook zijn z.g. “zwevende “ constructies mogelijk bij onderling verlijmde platen. Hiervoor worden doorgaans kleine plaatafmetingen gebruikt op een ondergrond van folies en/of isolatiemateriaal. Folies dienen goed overlappend te worden aangebracht, minimaal 30 cm.

  19. Hoe moet ik tand en groef vloerplaten monteren ?.

    Bij bevestiging van triplex op vloeren, meestal met tong/groefverbinding, worden schroeven aanbevolen. De platen worden in halfsteens verband op de balken aangebracht. Waarbij de richting van de plaat met de grootste sterkte – eigenschappen haaks op de balklaag komt. Triplex heeft de grootste sterkte – eigenschappen in de nerfrichting van het dekfineer. Let er op dat de dwarsnaden altijd door een balk ondersteund worden. De platen niet te stijf aandrukken. Langs de randen, bijvoorbeeld onder de plint, 10 mm. ruimte aanhouden. Bij vloeren langer dan 10 m1 een dilatatievoeg aanbrengen, de breedte van de dilatatievoeg voeg moet gelijk zijn aan de lengte van de vloer keer 1,5 mm. L-, of Z-vormige ruimten in rechthoekige ruimten indelen, ter voorkoming van diagonale spanningen.

  20. Hoe kan ik een triplexplaat welke in de gevel gemonteerd wordt het beste bevestigen?

    Spijkers, schroeven en nieten(RVS) zijn de meest voorkomende bevestigingsmiddelen. Ook gevellijmen kunnen worden toegepast, mits de lijmfabrikant adviseert. Verzonken schroeven bieden een hoge trekvastheid maar vragen om veel nabewerking, als de gesoevereinde boorgaten worden afgedicht. Na verloop van tijd wordt dit toch weer zichtbaar. Het verdient aanbeveling om nieten of spijkers met verzonken kop ca. 2 mm dieper aan te brengen en vervolgens af te dichten. Eenvoudig en een goed resultaat! Het voorkomt tevens vuilaanslag door condensatievocht ter plaatse van de bevestiging.

    De schroef- of spijkerafstanden zijn:

    • 400 mm voor plaatdikten 9 en 12 mm.
    • 600 mm voor 15 en 18 mm.

    De hoeken 15 mm vrijhouden en randen 10 mm. De lengte van de schroeven en spijkers is ca. 2,5 – 3x de plaatdikte. In geval van spijker/nieten dienen de afstanden met 50% verminderd te worden. Handmatig nagelen wordt afgeraden i.v.m. mogelijke beschadigingen aan het oppervlak.

  21. De onderkant van het boeiboord gaat opzwellen / delamineren?

    De platen dienen aan de gezaagde randen goed beschermd te worden tegen vochtindringing. Hiervoor is PVAC-lijm met verharder aan te bevelen. Let wel gewone PVAC-lijm is onvoldoende waterbestendig, waardoor na verloop van tijd de afdichtende werking verloren gaat.

    De onderkant moet afgeschuind worden om water geen kans te geven onder aan de panelen te blijven ‘hangen’. Bovendien worden alle randen iets afgerond (3 mm radius) om een doorgaande verflaag mogelijk te maken. Indien dit niet gebeurd kan er vocht in de plaat komen waardoor er spanning ontstaat.

  22. Hoe kan het dat het boeiboord is gaan ‘golven’ ?

    Oorzaak kan zijn dat de h.o.h. afstand van het regelwerk niet goed is. Geveltriplex wordt doorgaans aangebracht op een verduurzaamd vurenhouten regelwerk met een minimale afmeting van 18 x 45 mm. De meest voorkomende plaatdikten zijn 12, 15 en 18 mm. Hiermede wordt voldoende sterkte en stijfheid verkregen. Een plaatdikte van 9 mm of minder wordt niet aanbevolen.

    Ook dient men stuiknaden toe te passen van 10 mm i.v.m. de uitzetting van de platen als wel voor onderhoud. De platen dienen aan de gezaagde randen goed beschermd te worden tegen vochtindringing. Hiervoor zijn speciale rand- en houtsealers in de handel.

    De onderkant moet afgeschuind worden om water geen kans te geven onder aan de panelen te blijven ‘hangen’. Bovendien worden alle randen iets afgerond (3 mm radius) om een doorgaande verflaag mogelijk te maken. Indien dit niet gebeurd kan er vocht in de plaat komen waardoor er spanning ontstaat. Ook bij deze toepassing is voldoende ventilatie achter de plaat van belang.

  23. De aannemer heeft okoume platen in de gevel verwerkt en in de verflaag komen op termijn zwarte lekken, hoe kan dat?

    De zwarte vlekken of schimmelvorming ontstaat door condensatie achter de platen als gevolg van onvoldoende ventilatie, daarnaast moeten de achterkanten van de platen beschermd zijn middels een primer of een kunstharsfilm. Het regelwerk dient in een goede circulerende ventilatie te voorzien. Hierbij wordt uitgegaan van min. 200 mm2/m2 gevel. De openingen kunnen geboord of gefreesd worden. Tegenwoordig zijn er verduurzaamde vurenhouten tengels in de handel waarin uitsparingen gefreesd zitten de zgn. ventilatielatten.

  24. Wat zijn gaps en overlaps?

    Gaps zijn openingen tussen de fineerlagen die in het standaard productieproces niet geheel voorkomen kunnen worden. Een overlap is het tegenovergestelde waarbij de fineerlagen iets over elkaar geschoven zijn tijdens het productieproces.

  25. De triplexplaten zijn niet allemaal even dik, hoe kan dat?

    Aan het eind van het productieproces worden de platen op dikte geschuurd binnen een bepaalde tolerantie. In de norm EN 300 is vast gelegd hoeveel de diktetolerantie mag zijn, waarbij een onderscheid gemaakt wordt in ongeschuurde en geschuurde platen. Bijvoorbeeld bij een ongeschuurde plaat met een dikte van 18 mm is dit + 1,3 / -0,9 mm, terwijl bij een geschuurde plaat de tolerantie + 0,7 / – 0,9 is.

  26. Op de verpakking staan de letters CE , wil dat zeggen dat de plaat CE2+ is?

    Het CE – merk is alleen maar een symbool , in de meeste gevallen zal de verplichte specifieke informatie terug te vinden zijn op het CE-stempel op de plaat. Het kan echter ook zo zijn dat informatie wordt gegeven op documenten bij het product, zoals afleverbonnen. Als op de plaat het CE-stempel met de aanduiding S 636-3 staat betekent ditdat de plaat geschikt is voor buitentoepassing (klimaatklasse 3) en voor constructieve toepassing (S=structural).

  27. Mijn klant vraagt naar een CP/C kwaliteit wat moet ik me daar bij voorstellen?

    Dit geeft de kwaliteit aan van het dekfineer aan waarbij men in de aanduiding grofweg verschil maakt in:

    Loofhout:

    E = excellent(komt bijna niet voor).
    A = zeer fraai(komt bijna niet voor).
    B = fraai.
    S = gesloten oppervlak, kleurafwijkingen ( Berken).
    BB = gerepareerd, gepropt.
    WG = ongesorteerd, mag open gebreken vertonen.
    CP = een gepropte uitvoering, minder fraai dan BB.
    C+ = open gebreken zijn gestopt met putty en het oppervlak is geschuurd.
    C = open gebreken.
    D = ongesorteerd, mag veel gebreken voorkomen.

    De toevoeging X kan soms de buitenkwaliteit aanduiden welke we nog wel tegenkomen bij Amerikaanse triplexsoorten zoals een CDX-PTS( plugged, touched sanded).

    Plugged en touched sanded = gestopt en licht geschuurd.

    In Naaldhouttriplex worden meestal cijfercombinaties gebruikt:

    I = Zeer fraai, (komt in het schilproces vrijwel niet voor)
    II = Gesloten oppervlak, incl. vaste kwasten, kleine open kwastjes en gerepareerd
    III = Meer open gebreken
    IV = Ongesorteerd, mag veel gebreken vertonen.

    In de ‘pine’ triplexen worden weer vaak de loofhouttermen gebruikt zoals c+/c.

    Raadpleeg voor uitgebreide informatie EN 635.

  28. Wat betekenen de termen WBP en MR?

    De letters WBP bij multiplex staan voor Water Boiled Proof. Dit wil zeggen dat het multiplex verlijmd is met een lijm waardoor het multiplex minimaal 72 uren in een kookproef kan doorbrengen, zonder dat de verschillende lagen van het multiplex losraken. Als multiplex deze test doorstaat dan is hij geschikt voor buiten toe te passen. MR wil zeggen Moisture Resistant wat letterlijke betekent vochtwerend en is een verlijming op basis van melamine- en ureum formaldehyde. De plaat is uitsluitend voor binnen te gebruiken. Termen als WBP en MR worden nog steeds gehoord, maar zijn in feite niet meer relevant voor permanente toepassing in de bouw.

    Tegenwoordig gebruiken we normen volgens de nieuwe Europese norm NEN-EN 13986 waarin we drie klimaatcondities onderscheiden:

    • NEN EN 636-1, binnen
    • NEN EN 636-2, vochtig binnen/ beschut buiten
    • NEN EN 636-3, buiten
  29. In het bestek staat dat het multiplex moet voldoen aan de technische klasse EN 636-2, wat betekent dat?

    Dat het multiplex in een bepaalde klimaatklasse toegepast kan worden, zoals:

    • NEN EN 636-1, binnen
    • NEN EN 636-2, vochtig binnen/ beschut buiten
    • NEN EN 636-3, buiten

    Termen als WBP en MR worden nog steeds gehoord, maar zijn in feite niet meer relevant voor permanente toepassing in de bouw.

jan smulders triplex
keurmerken
© 2019 Jan Smulders Triplex bv - Privacystatement